VRIENDEN VAN HEVERLEEBOS EN MEERDAALWOUD vzw

DOODE BEMDE NIEUWS

EVERZWIJNEN IN HET DIJLELAND

 

Sinds een aantal jaar zijn er opnieuw everzwijnen in het Dijleland. Eerst wat aarzelend, maar intussen steeds meer ingeburgerd. Zagen we in het begin enkel sporadisch een zwervend mannetje, dan doken er recenter kleine groepjes op. In 2017 verschenen de eerste zeugen met jongen in de Doode Bemde. In Meerdaalwoud was dat al eerder het geval. Wilde zwijnen zijn spectaculaire dieren met een behoorlijke impact op hun omgeving. Voor de natuur betekenen ze een verrijking, maar in landbouwgebied kunnen ze behoorlijke schade veroorzaken. Een evenwicht vinden in die tegengestelde belangen is niet gemakkelijk. Daarom heeft de VHM al van bij het verschijnen van de dieren aangedrongen op overleg met alle betrokken partijen. Het beheer van een everzwijnenpopulatie moet je immers gezamenlijk aanpakken. Intussen zijn al verschillende overlegmomenten doorgegaan georganiseerd door het Agentschap voor Natuur en Bos. De andere deelnemers waren de lokale wildbeheereenheden en de Boerenbond. Over een globale visie is iedereen het eens, althans tijdens het overleg. Die komt er globaal op neer dat we geen everzwijnen willen op de landbouwplateaus. In de Dijlevallei en Heverleebos-Meerdaalwoud mag de soort blijven, maar wel binnen aanvaardbare perken. Hoe dit in de praktijk te brengen, is voor alle betrokkenen nog wat zoeken. Een concreet plan van aanpak op het terrein is er dus nog niet. Wij zullen hierin in elk geval onze verantwoordelijkheid nemen en hopen van de overige betrokkenen hetzelfde. We roepen intussen wel op om op een correcte manier te communiceren. Overdreven berichten over (vermeende) schade en aantallen dieren helpen niet om tot een degelijk beheer te komen. Hieronder vind je alvast alle berichten over de everzwijnen die we van bij het opduiken van de soort publiceerden in de tijdingen.

2017 nr 3

Faunabeheerzone

Sinds 2006 is het wild zwijn steeds nadrukkelijker aanwezig in Vlaanderen. Wilde zwijnen zijn spectaculaire dieren, maar ze hebben wel een behoorlijke impact op hun omgeving. Voor de ene zijn ze een verrijking van onze biodiversiteit, anderen zien ze liever zo snel mogelijk weer verdwijnen. Het is in elk geval een soort die je in het huidige landschap niet zomaar haar gang kan laten gaan. De Vlaamse overheid wil daarom graag een door de verschillende betrokkenen gedragen aanpak van deze soort. Ze heeft daarom Vlaanderen ingedeeld in faunabeheerzones. Dat zijn gebieden die door min of meer harde grenzen van elkaar gescheiden zijn. Die grenzen, bijvoorbeeld kanalen en autosnelwegen, bemoeilijken de uitwisseling van everzwijn tussen deze gebieden. In die gebieden kan je dan een aanpak afspreken die een antwoordt biedt op de lokale situatie. Er zijn 10 faunabeheerzones afgebakend. Wij behoren tot zone 8. Dat gebied loopt van het Hallerbos in het westen tot in Hoegaarden en wordt begrensd door de E19, de E40 en de gewestgrenzen met Brussel en Wallonië.

Bedoeling is dat de betrokkenen een consensus bereiken over de populatiedoelstelling, een gezamenlijke aanpak om die doelstelling te bereiken en preventie naar schade. Intussen zijn er twee overlegmomenten geweest onder leiding van het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB). De andere aanwezigen waren de Vrienden, de wildbeheereenheden ‘Tussen Voer en IJse’, ‘Meerdaalwoud’ en ‘Bertembos’ (de jagers) en de Boerenbond. Eigenlijk is het een voortzetting van het overleg dat enkele jaren geleden op onze vraag opgestart was, maar door reorganisatiebeslommeringen bij de overheid stilviel voor we tot een afspraak konden komen. Deze keer is het echter geen vrijblijvend overleg, maar een wettelijke verplichting en moet er dus een plan van aanpak komen.

Wat doelstellingen betreft komt het er op neer dat we in de Dijlevallei en Heverleebos-Meerdaalwoud een populatie willen behouden, maar dat die niet zodanig mag groeien dat er onaanvaardbare schade komt in de omgeving. Voor alle duidelijkheid, de voorbije jaren is er slechts beperkt schade geweest op enkele landbouwpercelen. Op de omliggende landbouwplateaus komen actueel geen of enkel sporadisch everzwijnen voor en dat willen we zo houden. Hoe we dat gaan realiseren is voor alle betrokkenen nog wat zoeken. Het eerste jaar zal het wat experimenteren worden. Vast staat wel dat er in de populatie ingegrepen zal moeten worden, ook in de natuur- en bosgebieden. Voor een goed beheer is het in elk geval van belang dat we zicht krijgen op de everzwijnenpopulatie. Everzwijnen tellen is onmogelijk, maar we hebben er wel op aangedrongen dat alle betrokkenen partijen meewerken om gegevens te verzamelen zodat we de evolutie in de gaten kunnen houden.

Op dit ogenblik hebben we enkel gegevens uit de Doode Bemde en Meerdaalwoud. Terwijl we de voorbije jaren sporadisch een individueel everzwijn of een klein groepje zagen, stelden we dit jaar ook voortplanting vast. In de Doode Bemde kon de camera op twee verschillende plaatsen een groep zeugen met jongen vastleggen. Op de ene plaats zeker twee zeugen met acht jongen, op de andere locatie drie zeugen met twaalf jongen. Of het om de zelfde groep gaat, weten we niet. Ook in Meerdaalwoud werden zeugen met jongen waargenomen. De populatie zal dit jaar dus sterk toenemen. Wordt vervolgd.

 

het plateau of het Meerdaalwoud vluchten en zich lange tijd niet meer in de Doode Bemde laten zien. De landbouwers op het plateau zullen daar niet erg gelukkig mee zijn.

Eind 2012 hebben we aan ANB gevraagd om een overleg te organiseren met alle betrokkenen. Het lijkt ons aangewezen om samen af te spreken hoe met deze nieuwe bewoners moet omgegaan worden, liefst voor er zich problemen beginnen voor te doen. Hopelijk kan dergelijk overleg nog dit voorjaar doorgaan.

 

2016 nr 1

En de everzwijnen?

Sinds enkele jaren lopen er opnieuw everzwijnen rond in het Dijleland. Via wroetsporen in de graslanden, pootafdrukken op modderige plaatsen, foto’s op de cameraval en een sporadische zichtwaarneming weten we dat ze er zijn. Hoeveel, daar hebben we het raden naar. Ze zijn moeilijk, zo niet onmogelijk te tellen. We denken dat het de voorbije jaren hoofdzakelijk om zwervende individuen ging, vooral volwassen mannetjes (keilers). Sinds dit jaar weten we zeker dat er meerdere exemplaren rondlopen. We hebben een groepje van vier gezien en rond dezelfde periode stond er op de foto een groter keiler die zeker niet tot het groepje behoorde. We kunnen dus met zekerheid zeggen dat er op dat moment vijf verschillende dieren in de Doode Bemde aanwezig waren. De lokale jachtwachter vertelde overal dat er 12 zaten, maar kon ons geen bewijzen voorleggen en wou het ook niet bevestigen.

Dat we de everzwijnen niet zomaar hun gang kunnen laten gaan is voor ons duidelijk. Everzwijnen leggen ook makkelijk grote afstanden af en zijn niet zomaar in een gebied te houden. Tenzij je er een stevige omheining rond zet natuurlijk. Ze hebben bovendien de onhebbelijke gewoonte graslanden om te ploegen en landbouwgewassen zeer lekker te vinden. In een dichtbevolkte regio met heel wat verschillende belangen kort bij elkaar kan dat problemen geven. Op tijd ingrijpen is dan de boodschap. In Limburg is dat niet gebeurd, waardoor de populatie er zeer snel is toegenomen. Ze hebben er nu de grootste moeite om de aantallen terug te reduceren.

Dat wilden we vermijden. Everzwijnen zijn een meerwaarde voor de natuur. Zo zorgen ze door hun gewroet voor dynamiek in de bossen, ze vergemakkelijken natuurlijke verjonging van vele boomsoorten doordat ze dikke strooisellagen doorbreken. In de voormalige populierenaanplantingen kunnen ze op die manier de dichte mat ruigtekruiden openbreken. Bomen en struiken krijgen dan de kans om te kiemen. We vinden dus dat ze hier thuis horen, alleen mogen het er niet te veel worden. We hadden daarom aan het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) gevraagd alle betrokken partijen bijeen te brengen. Dat is ook gebeurd. We hebben verschillende keren rond tafel gezeten met de landbouwers, de lokale wildbeheereenheden, het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek en de gemeenten Huldenberg, Oud-Heverlee en Bertem. Bedoeling was om een gezamenlijk plan van aanpak te hebben voor de populatie zou beginnen toenemen. Dat is er helaas niet gekomen. Sinds begin 2015 is er geen overleg meer doorgegaan. Voor de landbouwers lag het moeilijker , maar met ANB en de wildbeheereenheden was er nochtans een grote mate van overeenstemming. Geen plan dus. Intussen wordt het duidelijk dat de populatie aan het groeien is. In de Doode Bemde en in Meerdaalwoud duiken er nu ook kleinere exemplaren op. Hoe het zit in de rest van het Dijleland, weten we niet. Zover ons bekend wordt daar ook niet actief naar de dieren uitgekeken.

Wat nu? Een everzwijnenpopulatie beheren moet doordacht gebeuren. Dieren schieten zal noodzakelijk zijn, maar op de verkeerde plaatsen op het verkeerde moment ingrijpen, kan net problemen veroorzaken. Everzwijnen zijn slimme dieren. Ze weten zeer snel wanneer op ze gejaagd wordt. En je wil de dieren niet richting de akkers jagen op het moment dat de gewassen nog op het veld staan. Een gezamenlijk plan van aanpak met alle betrokkenen over het hele gebied biedt daarvoor de beste garantie. Op dit moment zien we jammer genoeg het tegenovergestelde gebeuren. Van de lokale jachtgroep (die van de eenden) kregen we te horen dat ze everzwijnen zouden beginnen schieten in en rond de Doode Bemde, althans op de percelen waar ze jachtrecht op hebben. En ze lieten er geen gras over groeien. Dat ze daarbij niet geheel de regels zouden volgen was te verwachten. Intussen zijn we viavia te weten gekomen dat ze aan de zuidrand van de Doode Bemde  1 everzwijn geschoten hebben.

Navraag bij ANB heeft nog wat informatie opgeleverd. De Vlaamse overheid heeft de drie wildbeheereenheden die actief zijn in of rond Heverleebos-Meerdaalwoud en de Dijlevallei de toestemming gegeven om elk vijf everzwijnen te schieten. Waarop dat aantal van 15 gebaseerd is, was ons niet duidelijk. Viavia weten we intussen dat het Vlaams gewest standaard een afschot van vijf dieren toelaat wanneer de toestand van de populatie niet gekend is. We vinden het jammer dat we daar niet op voorhand over ingelicht werden. Dat zou misverstanden en wrevel vermeden hebben. Wat ons betreft is het streefdoel nog steeds een gezamenlijk plan van aanpak. We zullen daarom bij ANB vragen opnieuw een overleg te organiseren. Op zijn minst moet voor alle betrokkenen duidelijk zijn wie welke maatregelen neemt, op welke plaats en wat de resultaten daarvan zijn.

 

2014 nr 1

Zwijnerijen

Weinig te melden over de everzwijnen. Af en toe vinden we sporen van hun aanwezigheid (pootafdrukken, modderbaden en wroetsporen), maar van januari tot maart stond er slechts een keer een  everzwijn op onze cameraval. Ook de andere dieren lieten zich nauwelijks zien.  Wel nieuw was een bosuil die enkele keren voor de camera kwam poseren.

 

2013 nr 4

Zwijnerijen 4

Sinds begin dit jaar overleggen de Vrienden samen met  ANB, de landbouwers, de jagers en de gemeenten over een manier om met de everzwijnen om te gaan. Dat is niet zo eenvoudig. Everzwijnen roepen bij de verschillende partijen rond tafel verschillende en soms tegenstrijdige gevoelens op. Na enkele overlegmomenten zijn we het zo ongeveer eens over de visie. Het uitgangspunt is om schade zoveel mogelijk te beperken. Dit houdt in dat everzwijnen maximaal geweerd worden uit akkers op het moment dat ze er de meeste schade kunnen aanrichten. Globaal is dit vanaf het moment dat er gezaaid wordt (in het voorjaar) tot het moment dat er geoogst wordt (in het najaar). Door in die periode een hoge jachtdruk aan te houden in het landbouwgebied, zullen de everzwijnen zich  terugtrekken in de rustige zones (Meerdaalwoud en Dijlevallei), waar ze geen kwaad kunnen. Die rustige zones moeten dan effectief wel rustig blijven. Hoe dit in de praktijk zal  georganiseerd worden, is nog niet duidelijk. Het vraagt medewerking van heel wat mensen en die moeten zich ook allemaal aan het plan houden.

Het blijkt intussen zeer moeilijk om zicht te krijgen op de populatie everzwijnen in de Dijlevallei. Op de wildcamera’s staan regelmatig everzwijnen, maar nooit meer dan één exemplaar tegelijk. Gaat het steeds om hetzelfde dier of lopen er verschillende rond? Daar zijn we nog niet uit. In het najaar werden drie everzwijnen samen gezien in de Doode Bemde. We zijn dus zeker dat er het hele jaar everzwijn aanwezig was en dat het er op een bepaald moment drie waren. Meer weten we niet. Er zijn alvast geen aanwijzingen dat er jonge everzwijnen zouden rondlopen. Dat geeft ons nog even de tijd om het ‘everzwijnenplan’ degelijk uit te werken en afspraken te maken. Dan zijn we hopelijk klaar als de everzwijnen er echt aan beginnen.

 

2013 nr 3

Zwijnerijen (3)

Vorig jaar hadden we bij het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) aangedrongen op een everzwijnenoverleg. Eind mei werd voor de eerste keer overlegd. Behalve ANB en de Vrienden waren ook de lokale landbouwers, de wildbeheereenheden Meerdaal en Tussen Voer en IJse (= de jagers) en de gemeenten Huldenberg, Oud-Heverlee en Bertem vertegenwoordigd. Het werd een constructief gesprek, prima geleid door ANB. Er werd nog niet gesproken over concrete maatregelen, dat is voor een volgend overleg. Het was een eerste kennismaking waarbij geluisterd werd naar de pro’s en contra’s die elke  betrokken groep zag in de aanwezigheid van everzwijnen in de regio Dijlevallei-Heverleebos-Meerdaalwoud. Hopelijk kunnen we in een positieve sfeer verdergaan en komen we tot een voor iedereen aanvaardbare oplossing.

 

2013 nr 1

Zwijnerijen (2)

In de vorige tijdingen berichtten we over de terugkeer van het everzwijn in het Dijleland. In november 2012 werd een zeer groot mannetjeszwijn aangereden ter hoogte van de Langerodevijver. Een aanzet tot mediastormpje is gelukkig snel gaan liggen. Het is gebleven bij één krantenartikel, weliswaar met de zeer spectaculaire titel ’Everzwijnen aan opmars bezig, overpopulatie vormt bedreiging voor de mens’. Het leek wel alsof je in de Doode Bemde struikelde over de everzwijnen. In realiteit worden ze slechts zeer zelden gezien. We hebben dat ook proberen duidelijk te maken aan de radio en televisie die ons naar aanleiding van het artikel contacteerden. Ze wilden reportages komen maken in de Doode Bemde. Omdat er niets te zien is zijn de reportages er niet gekomen.

Hoe zit dat nu met die ‘overpopulatie’? Niemand weet precies hoeveel dieren er aanwezig zijn in het Dijleland. We merken af en toe wroetsporen of modderbaden op in de Doode Bemde, maar soms zien we ook maandenlang niets. Waarnemingen zijn er slechts zeer zelden. Vorig jaar is er een groot mannetjeszwijn gezien in het rietveld. Mogelijk het dier dat intussen werd aangereden. Daarnaast werd eenmaal een groep gezien van drie volwassen en vier jonge dieren. Meer is het voorlopig niet. De dieren zijn moeilijk waar te nemen. Zelfs de terreinploeg die dagelijks in de Doode Bemde aan het werk is, heeft nog geen everzwijnen gezien. Om toch enig zicht te krijgen op hun aanwezigheid hebben we twee wildcamera’s opgehangen. De camera’s zijn opgesteld op plaatsen waar we sporen gevonden hebben. Als een dier voorbij de sensor loopt, neemt de camera een foto. Om de twee weken gaan we dan controleren of er iets gefotografeerd is. Na een maand zijn door beide camera’s  verschillende foto’s gemaakt van reeën.

 

Everzwijn werd slechts door één camera vastgelegd . Er staat nooit meer dan één everzwijn op de foto. Of het telkens om hetzelfde dier gaat is nog niet duidelijk.  Het enige dat we tot nu toe we kunnen concluderen is dat zich af en toe everzwijnen ophouden in de Doode Bemde. Hoeveel het er zijn kunnen we niet zeggen. Spreken van een ‘overpopulatie’ is alvast overdreven.

We laten de camera’s nog enige tijd hangen. Hoe meer zicht we hebben op de situatie, hoe beter we eventuele spectaculaire verhalen naar hun reële proporties kunnen terugbrengen.

Het beheer van een everzwijnenpopulatie doe je niet op de schaal van de Doode Bemde of zelfs van het Meerdaalwoud. Het moet om een goed doordacht plan gaan op schaal van het hele Dijleland en gedragen worden door alle betrokkenen. Dat hebben ze intussen in Limburg geleerd. Het snel wat zwijnen gaan schieten in de Doode Bemde, zoals een jager in het bewuste artikel voorstelde, is geen oplossing. Everzwijnen zijn slimme beesten. De overblijvende dieren zouden naar het plateau of het Meerdaalwoud vluchten en zich lange tijd niet meer in de Doode Bemde laten zien. De landbouwers op het plateau zullen daar niet erg gelukkig mee zijn.

Eind 2012 hebben we aan ANB gevraagd om een overleg te organiseren met alle betrokkenen. Het lijkt ons aangewezen om samen af te spreken hoe met deze nieuwe bewoners moet omgegaan worden, liefst voor er zich problemen beginnen voor te doen. Hopelijk kan dergelijk overleg nog dit voorjaar doorgaan.

 

 

2012 nr 4

Zwijnerijen

Een schreeuw uit het rietveld, omgewroete graszoden, de eerste ontmoetingen met vroege ochtend wandelaars. Dit jaar kwam de bevestiging: er zijn everzwijnen in de Dijlevallei. Niet geheel onverwacht, want in Meerdaalwoud zwierven al langer exemplaren rond. De voorbije twee jaar waren er in de Doode Bemde ook al sporadisch sporen gevonden. Maar toch, het was een bijzondere en opwindende verrassing. Het everzwijn is dus terug van weggeweest!

Want inderdaad, het gaat hier om een inheemse soort. Een soort die tot in de 18e eeuw veelvuldig voorkwam in onze gebieden. Hoe ze tot in de Dijlevallei geraakt zijn weten we niet. Uitgezet of spontaan komen aanwandelen vanuit Wallonië, waar een grote populatie voorkomt? Het everzwijn  is in elk geval een onderdeel van onze biodiversiteit. De dieren zijn met hun wroetwerken echte ecosysteemingenieurs. Studies tonen aan dat op de omgewoelde bodem diverse planten tot kieming komen en dat de soortenrijkdom daardoor toeneemt. Misschien een kans om in de Doode Bemde meer en sneller variatie te krijgen in de voormalige populierenaanplantingen?

 

Het is geen optie de zwijnen uit te roeien. Praktisch gezien is dat zeer moeilijk. Kijk maar naar Limburg of de streek rond Brugge. Daar worstelen ze al enkele jaren met de populatie everzwijn. Anderzijds zijn we ervan overtuigd dat ze wel beheerd moeten worden. Want de beesten kweken letterlijk als … zwijnen! En het is duidelijk dat het dier wel eens het zwijn kan uithangen. Op landbouwgrond kunnen de kosten van het bezoek in de honderden euro’s lopen. Daarom gingen bij de eerste geruchten rond de teruggekeerde everzwijnen al flikkerlichtjes af in het beheerteam. Hoe moet dit beheer worden aangepakt? Hoeveel everzwijnen zijn er in de Dijlevallei? En hoe voorkomen we dat deze imposante beesten schade aanrichten aan de omliggende landbouwgronden of botsautootje spelen op de lokale wegen?

De Doode Bemde is een verzameling van percelen, in totaal ± 250 ha. De percelen liggen in een mozaïek met bos- en graslandpercelen van andere eigenaars.  Ten noorden en ten zuiden van de Doode Bemde beheert het Agentschap voor Natuur en Bos  veel gronden. Als wordt gejaagd op de gronden van de Doode Bemde, kunnen de zwijnen zich gemakkelijk verplaatsen naar de gronden van anderen en vice versa. Daarom moet een bejaging idealiter gecoördineerd worden georganiseerd tussen het ANB, VHM en andere terreinbeheerders/eigenaars. We namen daarom contact op met het Agentschap om een plan van aanpak af te spreken. Dat was voor halverwege oktober  de eerste schade aan maïs werd gesignaleerd en voor eind november het eerste zwijn werd aangereden. Een kolos die gelukkig enkel voor blikschade zorgde … Intussen wordt achter de schermen verder overlegd over een gecoördineerde actie. Er komt stilaan ‘schot’ in de zaak (bij wijze van spreke dan wel). We hopen dat snel met een beheer kan worden gestart, zodat verdere schade kan worden beperkt. Dan kunnen we onze everzwijnen wellicht zeggen: welkom terug, maar hou het klein en gezellig!

HOOG EN DROOG

PLANTEN

BOOMGAARD

De Doode Bemde beschikt over ongeveer 6,1 km vijverdijken. Het grootste deel daarvan is in de loop der tijd spontaan begroeid geraakt met bomen een struiken. Enkele stroken langs de IJsevijvers en de kasteelvijver maaien we sporadisch en blijven bijgevolg grazig. Op de rest van de dijken laten we de natuur zijn gang gaan. Dat wil zeggen: er wordt geen regelmatig beheer gevoerd.  Jaarlijks proberen we wel een deel van de bomen en struiken te kappen, een vorm van hakhoutbeheer dus. Indien bomen en struiken te groot worden, geraakt de vijver ingesloten. Watervogels houden daar niet van. Tegelijk vermijden we dat de dijken beschadigd raken wanneer een grote boom zou omvallen (doorgaans door de wind). Ook dit jaar is dat het geval, net zoals de voorbije 10 jaar. De hele winter is de terreinploeg aan de slag geweest met het kappen en het verzagen van de bomen en struiken; de zondagse vrijwilligersploeg en vele klassen zijn aan de slag gegaan met het opruimen van takhout op het stuk dijk naast het pad richting kijkhut De Roerdomp en op de noordelijke dijk van de Langerodevijver. Werken op de dijken heeft zo zijn voordelen. Hoog en droog tijdens de overstroming van december. Het resultaat van al dat gezwoeg zijn nogal kale dijken, maar de struiken zullen snel terug doorschieten. Dat kan je bijvoorbeeld zien aan de zuidelijke Kliniekvijver. Die hebben we de voorbije drie jaar onder handen genomen. Op de noordelijke dijk van de Langerodevijver zijn nog een paar grote wilgen blijven staan. Die worden in het najaar gekapt.

Bomen en struiken planten doen we niet vaak in de Doode Bemde. We laten percelen liever spontaan verbossen. Soms gaat dat zeer snel, op andere percelen is het soms jaren wachten voor een boom of struik door de dichte mat ruigtekruiden geraakt. Wat we wel af en toe doen is een bomenrij die een typisch zicht van de Doode Bemde vormt, heraanplanten. Zo hebben we in de Kleine Broekstraat

(Korbeek-Dijle) enkele grauwe abelen geplant toen de oude exemplaren bij een storm  gevallen waren. Ook oude knotwilgenrijen vullen we terug op wanneer er exemplaren uitvallen. In maart zijn we van ons principe afgeweken door in de Toemaat/Tarweblok een houtkant aan te planten. Op de rechteroever van de Dijle, vlak tegen de dorpskern van Sint-Joris-Weert, hebben we intussen een aaneengesloten blok in beheer. De voorbije jaren hebben we er heel wat werk verricht. Zo ruimden we oude rasters op en verwijderden we exoten in de bospercelen. We kunnen nu ook werk maken van een aangepast graslandbeheer. De eerste jaren zullen we twee keer maaien, in juli en in het najaar. Nadien kunnen we dan overschakelen op maaien en nabegrazen. Over enkele jaren moeten hier dus terug bloemrijke graslanden te zien zijn. Het landschap mag intussen al gezien worden. Wat zonde om dan te moeten uitkijken op typische Vlaamse koterij. Omdat er na afloop van de collectorwerken toch een strook braak lag, hebben we van de gelegenheid gebruik gemaakt om hier een houtkant te planten. Over een lengte van 85 m hebben we eenstijlige meidoorn, sleedoorn, hazelaar, rode kornoelje, Gelderse roos en kardinaalsmuts geplant. Allemaal soorten die in de vallei thuishoren. Bovendien hebben we autochtoon plantgoed gebruikt. Die planten zijn afkomstig van exemplaren die al zeer lang in onze gebieden vertoeven en dus zeer goed aangepast zijn aan de bodem en de leefomstandigheden in onze streken. Wil je hierover meer weten, neem dan een kijkje op www.plantvanhier.be.

Vorige winter hebben we de boomgaard van het kasteel van Neerijse een makeover gegeven. Een van de werken was het aanplanten van nieuwe fruitbomen. Die hebben er intussen een eerste groeiseizoen opzitten. Tijd dus voor een snoeibeurt. Iets heel anders dan het natuurbeheer waar we in thuis zijn. Gelukkig konden we rekenen op twee deskundige vrijwilligers. Waarvoor onze dank. Voor de restauratie van de kasteelmuur moeten nog heel wat documenten opgesteld en formulieren ingevuld worden. Dat zal nog dus nog even duren. Vrijwilligers blijven intussen ijverig verder stenen kuisen. De restauratie van de gietijzeren poort nadert wel zijn voltooiing. We hopen ze dit voorjaar te kunnen terugplaatsen.

KAYAKKEN OP DE DIJLE

In de pers kon je onlangs lezen dat er op de Dijle stroomopwaarts Leuven opnieuw gevaren zou worden. Tussen alle betrokken partijen was een zogenaamde convenant ondertekend. Dat is evenwel nog niet gebeurd. Met de tekst die ons uiteindelijk was voorgelegd, kunnen we niet zomaar akkoord gaan. Daarom enige geschiedenis en achtergrond bij dit dossier.

 

In het verleden (intussen 20 jaar geleden) heeft onze vereniging met de rivierbeheerder (toen AMINAL Afdeling Water) en met de toenmalige buitensportsector afspraken gemaakt over afvaarten van de Dijle.

 

De waterkwaliteit van de Dijle was aan het verbeteren en het aantal afvaarten steeg tot  vele tientallen groepen per jaar. Uiteraard bleven die niet altijd op de rivier, maar kon je ze ook langs de oever overal aantreffen. Een aantal presteerden het (echt waar!) om tap- en geluidsinstallaties aan te slepen op instapplaatsen in de Doode Bemde. Het liep dus enigszins uit de hand.

 

Probleem is dat er een gat in de wetgeving zit, waardoor afvaren van onbevaarbare waterlopen (sic!) niet kan verboden worden. Je hebt als vaarder alleen toestemming van een boordeigenaar nodig om van op zijn eigendom in de rivier te gaan. Met alle betrokkenen is toen een ‘gentleman’s agreement’ gemaakt. Deze afspraak heeft ruim 10 jaar stand gehouden.

 

Intussen is de buitensportsector sterk veranderd. De sector is geprofessionaliseerd en vooral nog veel verder toegenomen. Ook de rivierbeheerder is veranderd. Tegenwoordig beheert de Vlaamse Milieumaatschappij dienst operationeel waterbeheer (VMM) dit deel van de Dijle. Het gaat over allemaal andere, nieuwe  ambtenaren die de vorige besprekingen niet meemaakten.

 

Intussen was er voor de Dijlevallei een zogenaamd natuurontwikkelingsscenario afgesproken inzake waterbeheersing. Na zeer lang en moeizaam overleg (ca. 25 jaar) is er voor gekozen om in de Dijlevallei geen wachtbekkens te bouwen om de binnenstad van Leuven en de universiteitscampus van de KUL voor overstromingen te vrijwaren. Er is voor gekozen om met natuurlijke overstromingen te werken in de volledige vallei stroomopwaarts Leuven tot aan de taalgrens. De Doode Bemde ligt volledig in die natuurlijke overstromingszone.

 

Natuurlijke overstromingen i.p.v. een of meerdere wachtbekkens zijn maar mogelijk als de afvoer van de rivier vertraagd wordt. Dat gebeurt in het geval van de Dijle door helemaal niet meer in te grijpen op de rivier. Dat betekent dat alle bomen en struiken op de oevers mogen blijven groeien en ook mogen blijven liggen als ze in de rivier vallen. Zo verruwd het rivierkanaal en wordt

de afvoer gestremd. Op die manier overstromen grote delen natuurgebied en niet de binnenstad van Leuven en de universiteitscampus.

Dit systeem is een erg goedkoop alternatief ten opzichte van wachtbekkens en, indien uitgevoerd zoals afgesproken, zijn er nog grote natuurwaarden mogelijk. Wat waterbeheersing betreft werkt het systeem, want Leuven komt de laatste 15-20 jaar niet meer in het ‘overstromingsnieuws’, heel wat andere steden in Vlaanderen wel...! Voor de natuur in de vallei werkt dit systeem echter alleen maar wanneer er hele grote stukken overstromen en niet slechts kleine delen zoals nu het geval is. De negatieve effecten van overstromingen (excessieve sedimentafzet, langdurige, frequente en diepe overstromingen) worden nu immers geconcentreerd op de beperkte delen die overstromen, met name de Doode Bemde en de zone rond Egenhovenbos. In die zones gaan de natuurwaarden actueel achteruit. Spreiding van overstromingen is dus van het grootste belang.

 

 Bomen in en langs de rivier maken het erg moeilijk, om niet te zeggen onverantwoord, om met groepen onervaren kayakkers/kanoërs de Dijle af te varen. Dat we aandringen op afspraken hierover heeft niet alleen te maken met vrees voor toenemende verstoring van bijvoorbeeld bever en ijsvogel, maar nog veel meer met het in stand houden van natuurlijke overstromingen.

 

 Er zijn lange overlegronden geweest, georganiseerd door de VMM, samen met buitensport- en natuurverenigingen, de gemeenten, de provincie Vlaams-Brabant en het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB). Helemaal op het einde heeft de VMM daar Sport Vlaanderen (het vroegere BLOSO) bij betrokken “om infrastructuur aan te leggen en om promotie te maken”.

 

Afspraken en ‘gentleman’s agreements’ zijn één ding, maar infrastructuur aanleggen en promotie maken is iets helemaal anders. Het gaat hier ten slotte om een Natura 2000 gebied!

 We hebben in de Doode Bemde de afspraken over het streven naar natuurlijke overstromingen als oplossing voor wateroverlast in Leuven, steeds consequent uitgevoerd. Elders in de vallei is dat niet gebeurd. Het resultaat is dat de Dijle in de Doode Bemde fors verruwd en vernatuurlijkt is. Daardoor treden er nu jaarlijks 1-2 grote overstromingen op, daar waar dat 20 jaar geleden zo goed als nooit gebeurde. Het resultaat is dat we in de Doode Bemde alle overstromingen te verwerken krijgen en andere delen van de vallei veel minder tot helemaal niet. Stroomop- en stroomafwaarts van de Doode Bemde is de noodzakelijke verruwing veel minder ver gevorderd. Dat komt omdat in die zone‘s landbouwers langer actief waren en omdat de VMM en ANB langzaam de afspraken van de jaren ‘90 vergaten (administraties wisselen van personeel...). In die zones begon men dus opnieuw oevers te maaien, bomen en struiken te verwijderen enz. Vanuit de natuurvereniging hebben we er dan ook op aangedrongen om bomen en struiken ook buiten de Doode Bemde te laten staan. Mondjesmaat gebeurt dat nu eindelijk ook, vooral stroomopwaarts van de Doode Bemde. Daardoor zou de overstromingsdruk in de Doode Bemde in de toekomst kunnen afnemen. De grote voorwaarde is wel dat de verdere verruwing van de rivier blijft doorgaan. Het is dus van belang voor de natuur in de Doode Bemde dat bomen en struiken ook in die zones blijven liggen voornamelijk dan stroomopwaarts.

Terug naar de te ondertekenen overeenkomst nu. Dat is in essentie opnieuw een ‘gentleman’s agreement’ zoals 20 jaar geleden. Het verschil is dat Sport Vlaanderen in extremis mee aan boord gehesen werd en die doet dat alleen maar als er promotie voor sport kan gemaakt worden EN als er infrastructuur wordt aangelegd. Sport Vlaanderen zou daarvoor grotendeels de kosten betalen. Die infrastructuur komt niet in de Doode Bemde, maar wel stroomop- en stroomafwaarts. In de Doode Bemde kan momenteel niet gevaren worden omwille van de vele omgevallen bomen en struiken. Stroomafwaarts de Doode Bemde zouden de ‘huis-tuin & keukenkayakkers moeten varen, stroomopwaarts de meer gevorderden en onder begeleiding. Op 1,5 kilometer stroomopwaarts van de Doode Bemde zou een instapplaats aangelegd worden en waar de Dijle de Doode Bemde binnenstroomt een uitstapplaats. Die anderhalve kilometer is echter cruciaal voor de Doode Bemde. De verdere verruwing van dat traject is immers een voorwaarde om de negatieve gevolgen van te veel overstromingswater te vermijden. Over die zone gaat ook het artikel in het laatste nieuws van 20 februari 2016. Daarin zegt de gemeente Huldenberg bij monde van de burgemeester dat ze een nieuw publiek wil aanboren om aan commerciële afvaarten te doen met grote groepen. Het lijkt duidelijk dat alvast de geest en de letter van de te ondertekenen overeenkomst niet begrepen is door één van de spelers en dat er met andere woorden nog overleg nodig zal zijn.

 

De inhoud van door de VMM ter ondertekening voorgelegde convenant is op het einde nog aangepast.  Er wordt nog een mogelijkheid voorzien om na een jaar de situatie te evalueren. Die wijziging is er gekomen omdat de natuursector mogelijk negatieve effecten verwacht. Probleem is evenwel dat beide overheidsinstellingen op de overlegvergaderingen expliciet aangaven dat ze, om budgettaire redenen, niet zouden controleren op het terrein. Dan vragen wij ons af welke gegevens ze na een jaar gaan gebruiken om te evalueren. Het geeft ons sterk de indruk dat de mogelijkheid van evaluatie slechts een smeermiddel is om de natuurverengingen mee over de streep te trekken en de convenant te laten ondertekenen.

 

Die evaluatie moet over cijfers kunnen gaan. Daarom is er bij ANB op aangedrongen om tellingen te doen en een nulsituatie van de belangrijkste natuurwaarden vast te leggen. Op dit ogenblik is het overleg daarover nog aan de gang.

TERUG NAAR TOP

TERUG NAAR TOP

VHM vzw - Infocentrum Waversebaan 66, 3001 Heverlee - Telefoon en fax: 016/23 05 58 - e-mail: infocentrum@vhm.be